Investeringen

De gemeente is een inkomensbestedende organisatie. Dit komt ook tot uitdrukking in de vele investeringen die door de gemeente worden gedaan. Deze investeringen zijn bij de totstandkoming van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) in 2004 gesplitst in investeringen met een economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.

Investeringen met een economisch nut zijn investeringen die verhandelbaar zijn of waar de gemeente inkomsten mee kan genereren (bijvoorbeeld rioolheffing). Indien een investering niet voldoet aan bovenstaande criteria dan betreft het een investering met een maatschappelijk nut (bijvoorbeeld wegen).

Ten aanzien van de activering van investeringen met een economisch nut werd in 2004  in het Besluit Begroting en Verantwoording BBV aangegeven dat deze geactiveerd moeten worden. De andere investeringen mochten geactiveerd worden. Door deze vrijheid om wel of niet te activeren bestaan er inmiddels grote verschillen in de wijze waarop gemeenten hiermee omgaan.

Vanaf begrotingsjaar 2017 zijn de artikelen 59 en 64 gewijzigd, zodat investeringen met een maatschappelijk nut, evenals investeringen met een economisch nut, beide moeten worden geactiveerd (en over de verwachte toekomstige gebruiksduur dienen te worden afgeschreven). De enige uitzondering op het verplicht activeren zijn kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde, die niet mogen worden geactiveerd (artikel 59, lid 2).

Om inzicht te krijgen in de oude en nieuwe systematiek dienen gemeenten bij de toelichting op de balans aan te geven welk bedrag volgens de oude en welke volgens de nieuwe systematiek is verantwoord.

Tevens is er in het nieuwe BBV (vanaf begroting 2017) ook bepaald dat de bijdragen van derden verplicht in mindering moeten worden gebracht op de bruto-investering. Tot op heden had de gemeente de mogelijkheid om bruto dan wel netto te verantwoorden, maar het gewijzigde BBV betekent dus dat de netto-methode verplicht wordt gesteld.

In de “Financiële verordening gemeente Eersel” is als uitgangspunt vastgelegd dat op investeringen groter dan € 10.000,-- wordt afgeschreven.

Kredietvoteringen

Met het vaststellen van de programmabegroting autoriseert de raad het college tot het doen van uitgaven per programma tot de bedragen van het ‘overzicht van baten en lasten’ (zie paragraaf 1 van de financiële begroting). In de programma’s zijn ook de investeringsplannen voor het begrotingsjaar 2019 opgenomen, welke voor meerdere jaren lasten met zich mee kunnen brengen.

Door het vaststellen van de begroting 2019-2022 worden - evenals voorgaande jaren - ook de investeringsplannen voor het begrotingsjaar geautoriseerd.