Weerstandsvermogen en risicobeheersing JS17

Het gemeentelijk weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is financiële tegenvallers op te vangen. Wil de gemeente dat kunnen, dan moet zij beschikken over een zekere mate van vrije ruimte binnen de begroting en/of de vermogenspositie. Deze vrije ruimte ofwel buffer, wordt de weerstandscapaciteit genoemd.

Algemeen

Het gemeentelijk weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is financiële tegenvallers op te vangen. Wil de gemeente dat kunnen, dan moet zij beschikken over een zekere mate van vrije ruimte binnen de begroting en/of de vermogenspositie. Deze vrije ruimte ofwel buffer, wordt de weerstandscapaciteit genoemd.

Het weerstandsvermogen bestaat uit de verhouding tussen:

  • De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te kunnen dekken;
  • Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

Om risico’s goed te kunnen relateren aan de weerstandscapaciteit, dienen de risico’s in kwantitatieve grootheden benoemd te worden.

Niet alle risico’s zijn relevant voor de weerstandscapaciteit. Niet relevant zijn:

  • Concrete of reguliere risico’s (afdekken middels voorziening of verzekering);
  • Risico’s lager dan € 25.000,-- (vallen onder reguliere bedrijfsvoering);
  • Zeer zeldzame en grote risico’s met extreme gevolgen, zoals natuurrampen.

In de nota weerstandsvermogen en risicomanagement, welke op 18 december 2007 is vastgesteld, is bepaald dat per relevant risico de volgende zaken aangegeven dienen te worden:

  1. Omschrijving van het risico;
  2. Een inschatting van de kans dat een gebeurtenis optreedt. Hierbij moet worden aangegeven hoe vaak een risico zich zal voordoen. Uitgaande van de planperiode van 4 jaar van de meerjarenbegroting, kan de kans variëren van:
    • Vierjaarlijks risico (factor 1);
    • Driejaarlijks risico (factor 1,33);
    • Tweejaarlijks risico (factor 2);
    • Jaarlijks risico (factor 4).
  3. Een uitspraak over in hoeverre het financiële gevolg van een risico is in te schatten, in termen van goed, redelijk, slecht of niet;
  4. Een inschatting van de mogelijke financiële gevolgen als het risico zich voordoet. Hierbij wordt een zestal categorieën onderscheiden, namelijk:
    • Risico’s met een indicatie > € 25.000,-- < € 50.000,-- (€ 37.500,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 50.000,-- < € 250.000,-- (€ 150.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 250.000,-- < € 750.000,-- (€ 500.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 750.000,-- < € 1.250.000,-- (€ 1.000.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 1.250.000,-- (geschat indicatief risico);
    • Risico’s waarvoor geen indicatie is aan te geven (PM)

Tussen haakjes is aangegeven hoe het financiële gevolg wordt meegenomen in de berekening. Het aangegeven bedrag wordt vermenigvuldigd met de risicofactor (zie punt 2).      

  1. Hoe met het risico omgegaan wordt in termen van vermijden, verminderen, overdragen of accepteren;
    • Vermijden: beleid waardoor een risico ontstaat wordt beëindigd of op een andere manier vormgegeven;
    • Verminderen: risico wordt afgedekt middels een verzekering, een voorziening of een ander budget in de programmabegroting;
    • Overdragen: het beleid dat een risico met zich meebrengt, laten uitvoeren door een andere partij, die daarbij ook de financiële risico’s overneemt;

Accepteren: wanneer het risico niet beïnvloedbaar is en niet op een andere wijze wordt afgedekt, dient eventuele financiële schade volledig middels de weerstandscapaciteit afgedekt te worden.

Beleid

De volgende beleidsuitgangspunten gelden

  • Om een buffer te hebben om risico’s en tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat hierdoor dekkingsmiddelen in de exploitatiesfeer wegvallen, is het voor een gezond financieel beleid noodzakelijk een minimale omvang voor de algemene reserve (vrij besteedbaar) te bepalen;
  • Om de algemene reserve (vrij besteedbaar) te verruimen, worden op te heffen reserves en voorzieningen in beginsel toegevoegd aan de algemene reserve (vrij besteedbaar); ook de berekende rente over de voorzieningen worden middels resultaatsbestemming toegevoegd aan de algemene reserve (vrij besteedbaar);
  • Om een afzonderlijke buffer te hebben om onvoorziene risico’s met betrekking tot de bouwgrondexploitatie op te kunnen vangen, is het voor een gezond financieel beleid noodzakelijk een minimale omvang voor de algemene reserve bouwgrondexploitatie te bepalen.

Conform de vastgestelde beleidsnota Reserves en voorzieningen (2011) dient de gemeente om onvoorziene risico’s met betrekking tot de grondexploitatie op te vangen een afzonderlijke buffer te hebben. De hoogte van deze reserve wordt jaarlijks beoordeeld en eventueel aangepast bij de begroting en jaarrekening (paragraaf grondbeleid). In de grondnota welke uw raad in december 2017 heeft vastgesteld is vanaf 2017 een nieuwe methodiek besproken. Deze nieuwe methodiek sluit beter aan op de financiële risico’s waarvoor een voorziening wordt getroffen. De minimale omvang van de buffer wordt jaarlijks opnieuw berekend en is voor 2017 bepaald op € 2.700.000,--. De minimumbuffer is conform de grondnota vastgesteld op € 2.500.000,--

Conform voorgaande jaren is er een splitsing gemaakt tussen algemene risico's en risico’s uit bouwgrondexploitaties. Algemene risico's worden daarbij gedekt uit de algemene reserve vrij besteedbaar (minimale buffer: € 2,5 mln.). En risico's uit bouwgrondexploitaties door de algemene reserve bouwgrondexploitaties.

Op dit moment is de stand van zaken betreffende de buffer bouwgrondexploitaties als volgt. In paragraaf 7 grondbeleid staat een verdere toelichting / onderbouwing:

Overzicht verloop stand algemene reserve grondexploitatie 
X € 1.000
2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
SALDO  RESERVE  PER 1 januari 3.346 3.925 7.389 3.759 4.938 5.187 5.432
Bij: Rentetoevoeging 100 79 148 75 99 104 109
Bij: Bijdrage van Alg.res.
Mutatie: saldo bouwgrondexploitaties 884 3.378 1.010 1.104 150 142 0
Mutatie: vorming voorziening wegens verliezen -405 177
Af: afwaardering boekwaarden
Af: VPB verplichting t-1 0 -170 -188 0 0 0 0
Af: bijdrage in Algemene reserve 0 0 -4.600 0 0 0 0
SALDO  RESERVE  PER 31 december  3.925 7.389 3.759 4.938 5.187 5.432 5.541
Minimale omvang buffer volgens grondnota 5.700 2.700
Tekort (-) danwel overschot (+) op de buffer -1.775 4.689

Weerstandscapaciteit

De weerstandscapaciteit kan betrekking hebben op de exploitatie en/of op het vermogen. In de exploitatiesfeer is dit het exploitatiesaldo en in de vermogenssfeer (de balans) is dit de omvang van de algemene reserve vrij besteedbaar.

Exploitatiesfeer 2017
Exploitatiesaldo (minus budgetoverhevelingen) 2.664.744
Weerstandscapaciteit exploitatie 2.664.744
Vermogenssfeer Stand reserve 1-1-2017 Stand reserve 31-12-2017
Algemene reserve (vrij besteedbaar) 5.767.168 5.668.593
Weerstandscapaciteit vermogenssfeer 5.767.168 5.668.593

Het totale weerstandsvermogen per 31 december 2017 bedraagt € 8.333.337,--. Hierbij moet worden aangetekend, dat ten aanzien van lopende investeringen, die gedekt worden middels beschikking over de algemene reserve vrij besteedbaar, per 31 december 2017 nog een bedrag van € 1.527.711,-- was uit te geven (zie onderstaande tabel). Tevens wordt opgemerkt dat bij de vaststelling van de begroting 2018 diverse nieuwe investeringskredieten beschikbaar zijn gesteld, die eveneens gedekt worden uit de hiervoor genoemde algemene reserve. Dit laatste betekent dat naast de hiervoor genoemde lopende investeringen ad € 1.527.711,-- ook voor de nieuwe investeringen 2018 wordt beschikt over de algemene reserves voor een bedrag van € 614.000,-- (inclusief project intensivering toezicht veehouderijen).  

Resumerend kan het totale beschikbare weerstandsvermogen als volgt worden becijferd:
Totale weerstandscapaciteit per 31-12-2017  8.333.337
Nog te beschikken over de algemene reserve (zie tabel hieronder) -1.527.711
Nog te beschikken nieuwe investeringen 2018 - 614.000
Rentetoevoegingen 2018 +272.120
1.869.591
Totale gecorrigeerde weerstandscapaciteit 6.463.746

Het voorgaande betekent dat het – rekening houdende met de beschikbaar gestelde kredieten tot met 2018 – het totale beschikbare weerstandsvermogen € 6,5 miljoen bedraagt.

Per 31 december 2017 is terzake van de volgende restant-kredieten nog te beschikken over de algemene reserve vrij besteedbaar c.q. algemene reserve bouwgrondexploitatie

Algemene reserve
Duurzaamheidsmaatregelen basisscholen 27.308
Wettelijke Wabo/Bag team VV (MIP '10+'11+12+13+14+16+17) 35.000
Ecol. verbind. zone Kleine Run 218.629
Groen blauw stimuleringskader (MIP'10+'11+'12+'13+'14+15+16+17) 50.000
Klimaatbeleid (SLOK 2010/2012)+MIP'11+'12+'13 37.644
Bodemsanering Oude Kerkstraat 16.034
Uitvoeringsprogramma Klimaatbeleid (Mip 2017) 19.046
Uitmaaien sloten (MIP'09) 10.587
Rec. en vervang. riol. Wilh.laan (MIP'10+'11) 108.202
Actualisatie en digitalisatie  wegenleger (Mip '16) 23.245
Verkeersveiligheidsplan (MIP'07+08+09+10+11+'12+'13+'14+'15+'16+'17) 365.918
Verkeersstructuur Eersel-Bergeijk (MIP2009,2017) 24.101
Berging korfbal Wintelre 7.613
Aanleg glasvezel (cat.3) 150.000
Uitvoering masterplan vrijetijdseconomie (mip15+16+17) 39.199
Innovatie en uitvoering toekomstvisie 50.000
Incidentele inhuur personeel (Mip 2016+2017) 45.092
Toeristische routestructuren (Mip 2016) 75.511
Uitvoeringsprogramma Kempenvisie VTE 18.650
Pilot raadsadviseur griffie 1.994
Real. progr. dienstverl. E-ersel (incid. 2010) 186.458
Overbr. en substitutie/digit. bouwvergunningen 17.481
Totaal generaal 1.527.711

Risicobeheersing

In onderstaande tabel zijn de risico’s benoemd en vertaald in de mate van inschatbaarheid, beheersing risico en ‘reëel’ financieel gevolg (= kans x financieel gevolg). Indien er geen financiële gevolgen zijn in te schatten, is desbetreffend risico niet opgenomen in deze tabel. Het totaal resulteert in een totaal benodigde weerstandscapaciteit. Welke vervolgens gebruikt kan worden voor de berekening van de ratio weerstandsvermogen.

Risico Kans Mate van inschatbaarheid Geschat financieel gevolg bij voordoen Beheersing risico Reëel financieel gevolg
Het eigen beleid:
Verhuur bibliotheek 1 Redelijk 37.500  Accepteren 37.500
Statushouders/boete 2 Slecht 150.000  Accepteren 300.000
Het beleid van hogere overheden:
WMO * 2 Redelijk 37.500 Accepteren 75.000
Jeugdhulp* 2 Slecht 150.000 Accepteren 300.000
BUIG** 2 Redelijk 37.500 Accepteren 75.000
Verontreinigde grond 2 Slecht 150.000 Accepteren 300.000
Samenwerking met andere gemeenten of instanties:
Verbonden partijen 4 Slecht 150.000 Accepteren 600.000
Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen:
Algemene uitkering 4 Slecht 37.500 Accepteren 150.000
Totaal benodigde weerstandscapaciteit 1.837.500

*  In verband met de bestemmingsreserve 3D is het risico niet jaarlijks opgenomen

**  In verband met bestemmingsreserves is het risico niet jaarlijks meegenomen ( en het feit dat vanaf 2017 een gedeelte ten laste van de exploitatie wordt gebracht).

Conclusie

De ratio weerstandsvermogen is berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. De ratio weerstandsvermogen bedraagt 3,52 (€ 6.463.746 gedeeld door € 1.837.500). Daarmee voldoet deze ruimschoots aan de gestelde norm uit de nota weerstandsvermogen en risicomanagement (we streven naar een ratio weerstandsvermogen tussen 1 en 2)

Risico's

Alle voorzienbare risico’s waarvoor geen voorzieningen zijn gevormd of die niet tot afwaardering van activa hebben geleid en die van grote betekenis kunnen zijn in relatie tot het balanstotaal of het eigen vermogen, worden als risico aangemerkt.

Bij de risico’s wordt een onderscheid gemaakt in vijf groepen:

  • het eigen beleid;
  • het beleid van hogere overheden;
  • samenwerking met andere gemeenten of instanties;
  • voor de gemeente autonome ontwikkelingen (bijv. economische en maatschappelijke ontwikkelingen);
  • het doen en/of nalaten van anderen.

Risico’s voortvloeiend uit eigen beleid

Verhuur voormalige bibliotheek

Het pand Markt 29 is beschikbaar voor verhuur. Een deel van het pand wordt verhuurd, er wordt gezocht naar een geïnteresseerde voor het gehele pand c.q. het restant.

Toekomstige exploitatie zwembad de Albatros

Aan de Postakkers in Eersel is zwembad De Albatros gevestigd. De exploitatie van het zwembad is middels een erfpacht- en exploitatieovereenkomst afgesloten. De huidige erfpacht- en exploitatieovereenkomst eindigt op 1 april 2021. Conform raadsbesluit, behandeling Toekomstig Accommodatiebeleid, is middels een amendement besloten om vanaf 2021 de exploitatie van het zwembad opnieuw aan te besteden onder verscherpte condities. Wat de financiële consequenties van dit besluit voor de gemeente kunnen zijn, is op dit moeilijk in te schatten.

Statushouders

Op dit moment is de Wet kostenverhaal statushouders in voorbereiding, waardoor het mogelijk wordt voor het Rijk om de huisvestingskosten van COA als boete op de gemeente te verhalen.
Het is nog niet zeker wanneer de wet wordt vastgesteld, en of deze voor vaststelling nog wordt gewijzigd.  De gemeente die in enig half jaar niet voldoet aan de taakstelling kan daardoor, na afloop van dat half jaar, gedwongen worden om een nader te bepalen bedrag (voorgesteld is  € 1.850,--) per persoon per maand te betalen. Dit geldt voor het aantal personen dat zij achterloopt op de taakstelling in de maanden volgend op het half jaar waarin de achterstand is ontstaan. De VNG heeft stevige kritiek op het wetsvoorstel kenbaar gemaakt in de formele consultatieronde.

Risico’s voortvloeiend uit het beleid van hogere overheden

Wmo begeleiding

Evenals voor alle andere Wmo voorzieningen geldt dat ook ten aanzien van begeleiding sprake is van een open-eind regeling. Eind 2016 heeft een evaluatie begeleiding plaatsgevonden. Op basis hiervan is, behoudens een aantal kleine aanpassingen, het beleid in 2017 niet aangepast.

Afbouw wet sociale werkvoorziening (Wsw) op aantallen en prijs

Vanaf 1 januari 2015 is de instroom van de Wsw stopgezet. De toekenning van het Wsw-deel van de integratie uitkering is gebaseerd op een geschatte daling van het aantal arbeidsplaatsen per gemeente. Of deze daling daadwerkelijk plaatsvindt, is mede afhankelijk van persoonlijke omstandigheden.

Daarboven komt nog de verlaging van de fictieve vergoeding per arbeidsjaar: van ongeveer € 26.000 per arbeidsjaar, in stappen van € 500 per jaar naar ongeveer € 22.700 vanaf 2020. Omdat de loonkosten per Wsw-medewerker hoog zijn, is de uitstroom van de Wsw-medewerkers gunstig voor de exploitatie. Bij niet gerealiseerde uitstroom gaan de vier Kempengemeenten er vooralsnog vanuit dat de Werkvoorziening Kempenland (WVK) eventuele tekorten opvangt.

BUIG/Bijzondere bijstand

Tekorten of overschotten zijn voor rekening van de gemeente. Voor de BUIG-uitkering geldt dat, indien het tekort in een bepaald jaar meer dan 5% is, de gemeente onder bepaalde voorwaarden een beroep kan doen op de vangnetregeling. Deze regeling kent een getrapte vergoedingsschaal. Voor het deel van een tekort van meer dan 5% tot 12,5% worden gemeenten voor de helft (dus 50%) gecompenseerd. Het tekort boven 12,5% compenseert het ministerie volledig (dus 100%). Het eigen risico voor gemeenten is derhalve beperkt tot maximaal 8,75% van de BUIG-uitkering.

Jeugd

Vanaf 2015 zijn ervaringen opgedaan met de uitvoering van de Jeugdhulp. Het CJG+ bouwt sindsdien ervaringsgevens op waardoor het mogelijk moet worden om accurater te begroten. Aangezien er bij de programmakosten inhoudelijk sindsdien enkele grote wijzigingen zijn opgetreden, blijft voorspellen lastig.

Jeugdhulp kent een open eind regeling. Als een gezin met een grote hulpvraag plotseling hulp nodig heeft, is de gemeente Eersel financieel verantwoordelijk. Doordat het ook om een verhuizing naar Eersel kan gaan, is dit moeilijk te voorspellen.

Met betrekking tot de planning zijn de volgende risico’s van belang:

  • Het CJG+ tracht de programmakosten en de bedrijfsvoeringskosten zo snel mogelijk in beeld te brengen. Hiervoor is het CJG+ mede afhankelijk van de aanbieders van gespecialiseerde jeugdhulp.
  • Voor een aantal aanbieders zijn er additionele afspraken gemaakt. Alvorens de balans opgemaakt kan worden, moet conform regionale afspraken, een verrekening gemaakt worden door de centrumgemeente. Dit kan ertoe leiden dat er pas vanaf april duidelijkheid is over de finale cijfers.
  • De SVB is net als in 2016 waarschijnlijk laat met het aanleveren van hun cijfers. Dit kan onze jaarrekening beïnvloeden.

Vennootschapsbelasting

Met ingang van 2016 wordt de vennootschapsbelasting (Vpb) ingevoerd. De Vpb-plicht geldt voor alle commerciële en niet-commerciële activiteiten waarmee in concurrentie wordt getreden.

Met de invoering van de Vpb-plicht worden de eventuele “fiscale winsten”, voornamelijk vanuit de vastgoedportefeuille, belast met 20% (tot belastbaar bedrag € 200.000,--) of 25% Vpb. Voor het doen van de aangifte vennootschapsbelasting 2016 is door de Belastingdienst aan de gemeente Eersel uitstel verleend tot 1 augustus 2018 vanwege meerdere fiscale onduidelijkheden die landelijk spelen. Op dit moment worden in samenspraak met Ernst & Young (EY) gesprekken gevoerd met de Belastingdienst. Wat uiteindelijk de financiële consequentie van de invoering van de Vpb voor de gemeente is, is op dit moment nog niet te zeggen.

Verontreinigde grond

Bij werkzaamheden in grond (bijvoorbeeld voor het leggen van kabels of aanleggen van een weg) zijn de werknemers vanaf 2015 verplicht om zich te houden aan de nieuwe arbeidsomstandigheden regels die zijn opgenomen in de CROW (onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer). Als men dan moet werken in verontreinigde grond bestaan er risico’s voor blootstelling van werknemers aan de stoffen die in de grond zitten (naast andere risico’s). Volgens de Arbowetgeving moeten de risico’s beoordeeld worden en moeten passende maatregelen getroffen worden om deze te beheersen. Maatregelen om de risico’s te beheersen zijn door het platform CROW ingevuld: voor het werken in verontreinigde grond in de publicatie CROW 132 en voor kabels en leidingen in de CROW 307 (uitsluitend als aanvulling op de CROW 132). De CROW 132 en 307 zijn geen wetgeving; de Inspectie SZW beschouwt ze wel als de stand van de techniek. De inspectie controleert of de situatie voldoende beoordeeld is (voldoende bodemonderzoeken gedaan?), of de werknemers voldoende beschermd zijn tegen blootstelling en of er voldoende voorlichting en onderricht gegeven is en toezicht gehouden wordt.

Aan de hiervoor genoemde werkzaamheden zijn extra kosten verbonden. Deze kosten werden in het verleden niet gemaakt. De kosten komen voor rekening van de gemeente, wij zijn immers eigenaar van de grond. Hoe hoog de kosten zijn op jaarbasis is moeilijk te voorspellen. Dit is namelijk afhankelijk van het aantal en de lengte aan te leggen weg of kabels/leidingen.

Omgevingswet

Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. De inhoud van de wet is niet concreet, het is namelijk een kaderwet die uitgewerkt wordt in algemene maatregelen van bestuur en uitwerkingsregelingen. De komende jaren worden de algemene maatregelen van bestuur en de uitwerkingsregelingen uitgewerkt, zie bijgevoegde figuur. Hierdoor moet met onzekerheden rekening gehouden worden.

Voor een deel is in de financiering voorzien via het krediet “Herziening ruimtelijke plannen”, het gaat hier met name om een aantal procedurele elementen en het opstellen van Omgevingswet-instrumenten.

De invoering van de Omgevingswet heeft naast een verandering van de instrumenten ook gevolgen voor de cultuur en de informatievoorziening.

De verandering op het gebied van cultuur zijn:

  • van nee tenzij, naar ja mits
  • van toets vooraf, naar handhaven achteraf
  • van zorgplicht bij overheid naar zorgplicht bij iedereen
  • van inspraak en bezwaar naar brede participatie.

Voor een cultuuromslag zal ook de nodige weerstand overwonnen moeten worden. Maar de organisatie van de gemeente Eersel is al langer bezig met een omschakeling van nee tenzij, naar ja mits en naar integraal werken. De cultuuromslag die gevraagd wordt voor de Omgevingswet past in de algehele verandering van de rol van de overheid van regelaar naar partner.

Een belangrijk deel van de Omgevingswet is de informatievoorziening. Via zogenaamde informatiehuizen moet iedereen over dezelfde informatie beschikken en kunnen hergebruiken. Maar het gaat ook om de interne werkprocessen en het samenwerken met de ketenpartners, zoals de ODZOB. Op dit moment is nog niet bekend hoe deze voorzieningen eruit gaat zien en of de gemeente overal zelf in moet voorzien of dat aangesloten kan worden op landelijke voorzieningen. Hierdoor kunnen hier nog geen bedragen aan gehangen worden.

Risico’s voortvloeiend uit samenwerking met andere gemeenten en instanties

Verbonden partijen

We kunnen worden geconfronteerd met financiële tegenvallers van verbonden partijen waarin we onszelf verplichten bij te dragen in eventuele nadelige saldi. Hierop hebben we niet altijd directe invloed. Indien in de loop van een jaar een nadelig saldo ontstaat, leggen we hiervoor separate voorstellen voor aan de raad. Een onderdeel van de verbonden partijen zijn de gemeenschappelijke regelingen. Ons uitgangspunt is dat de gemeenschappelijke regelingen in eerste instantie zelf moeten zorgdragen voor dekking

Leverplicht aan Attero Huishoudelijk Restafval (HRA)

Voor de periode 1-2-1997 t/m 1-2-2017 hadden de 6 Brabantse gewesten (vertegenwoordigd door de Vereniging van Contractanten (VvC), namens de Brabantse gemeenten), een overeenkomst gesloten met Afvalsturing Brabant (nu: Attero) voor de verwerking van huishoudelijk restafval. Daarbij is o.a. afgesproken dat de Brabantse gemeenten jaarlijks tenminste 510 kiloton (de volumeplicht) restafval ter verwerking |(verbranding) aan moeten leveren (volumeplicht).

Omdat het afvalbeleid steeds meer gericht is op het terugdringen van de hoeveelheid restafval, werd in 2011 voor het eerst niet meer aan die volumeplicht voldaan. Dat is voor Attero reden geweest om aan de Brabantse gewesten een naheffing op te leggen wegens het niet nakomen van de volumeverplichting over de periode 2011 t/m 2014. In een arbitraal eindvonnis heeft het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) Attero, met betrekking tot die naheffing, in het ongelijk gesteld. Vervolgens heeft het Gerechtshof Den Bosch het verzoek van Attero tot vernietiging van het NAI-vonnis, afgewezen. Daarmee is die kwestie afgedaan.

Ondertussen heeft Attero een nieuwe naheffing opgelegd voor het niet nakomen van de volumeplicht in 2015. Tot veler verrassing heeft het NAI, in een tussenvonnis, nu Attero in het gelijk gesteld. Als Attero ook in het eindvonnis in het gelijk wordt gesteld, dan zal de VvC een procedure aanspannen tot vernietiging van dat vonnis.

Inmiddels heeft Attero ook een naheffing opgelegd over de periode 2016 t/m januari 2017 (einde contract). Nu al staat vast dat de VvC ook die naheffing voorlegt aan het NAI.

Mochten de gewesten uiteindelijk aan het kortste eind trekken, dan zullen waarschijnlijk ook de gemeenten binnen de gewesten een (deel van die) naheffing moeten betalen. Het risico is sterk afhankelijk van de uitkomst van de juridische procedures en verschilt zeer van gemeente tot gemeente.

Risico’s met betrekking tot informatiebeveiliging

Gemeenten zijn voor steeds meer beleidsterreinen verantwoordelijk en krijgen met het stelsel van basisregistraties steeds breder toegang tot landelijke gegevensvoorzieningen. 

We maken dus gebruik van de mogelijkheden van informatie-uitwisseling, onderling en met diverse ketenpartners. Hierbij is het van belang dat de gegevens betrouwbaar zijn en dat we de beveiliging van informatie professioneel organiseren. Informatie moet immers beschikbaar en betrouwbaar zijn en mag alleen door bevoegden zichtbaar zijn. Bij de uitwisseling van informatie houden we rekening met beveiligings- en privacyaspecten.

In 2014 is in Kempenverband een risico-analyse uitgevoerd op het gebied van informatiebeveiliging.

Vervolgens hebben we informatiebeveiligingsbeleid en een informatiebeveiligingsplan opgesteld.  Hierbij hanteerden we de Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten (BIG) als richtlijn.

Met de Algemene Verordening Gegevensbescherming, die op 25 mei 2018 in werking treedt en de wijzigingen binnen de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten is het informatiebeveiligingsbeleid aan een update onderhevig. Deze moet in 2018 zijn afgerond.

Desondanks blijven er altijd risico’s bestaan, het is namelijk onmogelijk om alle beveiligingsincidenten te voorkomen. Door het beveiligen van de informatievoorziening verlagen we het risico op beveiligingsincidenten en beperken we de mogelijk negatieve impact van dergelijke incidenten.

Mogelijke beveiligingsincidenten en daarmee verbonden risico’s zijn te verdelen in:

  • Het niet beschikbaar hebben van de benodigde informatie(systemen) (aspect beschikbaarheid). Het uitvallen van een kernapplicatie voor bijvoorbeeld het verstrekken van paspoorten of het uitbetalen van uitkeringen of subsidies, verstoort direct de bedrijfsprocessen, maar kan ook veel inwoners of organisaties direct in problemen brengen;
  • Ongeautoriseerde toegang tot vertrouwelijke of geheime informatie (aspect vertrouwelijkheid). Wanneer onbevoegden toegang hebben tot gevoelige informatie kan dat verstrekkende gevolgen hebben. Zo kan de privacy van personen worden aangetast, maar er zou ook gevoelige informatie rondom grondposities kunnen uitlekken. Het kan in bepaalde gevallen zelfs leiden tot fysieke risico’s, wanneer bijvoorbeeld via internet pompen, sluizen of gemalen gehackt worden;
  • Onjuiste of onvolledige informatie (aspect integriteit). Wanneer in administraties of basisregistraties onjuiste gegevens staan, kan dat leiden tot diverse problemen en fouten, zoals foutieve uitbetalingen.

Beveiligingsincidenten brengen voor gemeenten het risico op imagoschade en financiële schade met zich mee. De politieke consequenties kunnen enorm zijn. Wat de eventuele financiële consequenties voor de gemeente kunnen zijn, is moeilijk in te schatten.

Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen 

Ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds

De laatste jaren was er diverse malen onzekerheid over de hoogte van het accres doordat een aanvankelijk hoog accres op latere momenten neerwaarts werd bijgesteld. Met andere woorden de hogere rijksuitgaven (“samen trap op”) waren later toch minder hoog. Het risico bestaat dus dat bij latere circulaires het accres neerwaarts wordt bijgesteld. De eventuele financiële consequenties hiervan zijn moeilijk in te schatten.

Renteontwikkeling

Indien de rente op de geld- en kapitaalmarkt zich ongunstig ontwikkelt ten opzichte van de percentages die in de begroting zijn opgenomen, moeten we rekening houden met extra rentelasten  (zie ook de treasuryparagraaf). De ontwikkeling van de rente is moeilijk in te schatten.

Kengetallen

Conform Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) nemen we de volgende kengetallen op:

  • netto schuldquote;
  • netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen;
  • solvabiliteitsratio;
  • structurele exploitatieruimte
  • grondexploitatie
  • belastingcapaciteit
Kengetallen behorende bij de rekening 2017 Rekening 2016 Begroting 2017 Rekening 2017
Netto schuldquote 7,40% 8% -12,00%
Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen 5,80% 7% -13,10%
Solvabiliteitsratio 48,40% 43% 51,40%
Structurele exploitatieruimte 0,89% 2,90% 5,54%
Grondexploitatie 16,30% 16% 3,80%
Belastingcapaciteit 100% 96% 97%

Toelichting

Schuldquote

Dit kengetal geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. De schuldquote is voor de gemeente Eersel laag en daalt zelfs nog zodat de gemeente Eersel met dit kengetal ruim voldoende “scoort”. Dit lage kengetal houdt verband met het feit dat er de laatste jaren sprake is van een toename van het financieringsoverschot door grondverkopen.

Als algemene norm geven we de volgende richtgetallen.

Algemene normwaarden schuldquote Schuldquote
Normaal  0% - 100%
Voorzichtigheid geboden > 100 %
Zeer hoge schuld > 130 %

Solvabiliteitsratio

Deze ratio geeft het aandeel van het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen. Wanneer de helft of meer uit eigen vermogen bestaat is een gemeente voldoende solvabel.

Algemene normwaarden bruto schuld Ratio solvabiliteit
Weinig tot geen schuld  > 80 %
Normaal 30% - 80%
Voorzichtigheid geboden 20% - 30%
Bezit zeer zwaar belast met schuld 0% - 20%

Structurele exploitatieruimte

Dit kengetal is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen. Zoals blijkt uit de tabel is de structurele exploitatieruimte gering.

Grondexploitatie

Dit kengetal geeft aan hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Het is lastig om hier een norm voor te formuleren aangezien deze norm niets zegt over de relatie tussen vraag en aanbod van woningbouw c.q. bedrijventerreinen.

Belastingcapaciteit

Dit kengetal geeft inzicht hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Hieruit blijkt dat de gemeente Eersel in 2017 onder op het landelijk gemiddelde zit.