Weerstandsvermogen en risicobeheersing JS18

Het gemeentelijk weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is financiële tegenvallers op te vangen. Wil de gemeente dat kunnen, dan moet zij beschikken over een zekere mate van vrije ruimte binnen de begroting en/of de vermogenspositie. Deze vrije ruimte ofwel buffer, wordt de weerstandscapaciteit genoemd.

Algemeen

Het weerstandsvermogen bestaat uit de verhouding tussen:

  • De weerstandscapaciteit, zijnde de middelen waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te kunnen dekken;
  • Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

Om risico’s goed te kunnen relateren aan de weerstandscapaciteit, dienen de risico’s in kwantitatieve grootheden benoemd te worden. Niet alle risico’s zijn relevant voor de weerstandscapaciteit. Niet relevant zijn:

  • Concrete of reguliere risico’s (afdekken middels voorziening of verzekering);
  • Risico’s lager dan € 25.000,-- (vallen onder reguliere bedrijfsvoering);
  • Zeer zeldzame en grote risico’s met extreme gevolgen, zoals natuurrampen.

In de nota weerstandsvermogen en risicomanagement, welke op 18 december 2007 is vastgesteld, is bepaald dat per relevant risico de volgende zaken aangegeven dienen te worden:

  1. Omschrijving van het risico;
  2. Een inschatting van de kans dat een gebeurtenis optreedt. Hierbij moet worden aangegeven hoe vaak een risico zich zal voordoen. Uitgaande van de planperiode van 4 jaar van de meerjarenbegroting, kan de kans variëren van:
    • Vierjaarlijks risico (factor 1);
    • Driejaarlijks risico (factor 1,33);
    • Tweejaarlijks risico (factor 2);
    • Jaarlijks risico (factor 4).
  3. Een uitspraak over in hoeverre het financiële gevolg van een risico is in te schatten, in termen van goed, redelijk, slecht of niet;
  4. Een inschatting van de mogelijke financiële gevolgen als het risico zich voordoet. Hierbij wordt een zestal categorieën onderscheiden, namelijk:
    • Risico’s met een indicatie > € 25.000,-- < € 50.000,-- (€ 37.500,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 50.000,-- < € 250.000,-- (€ 150.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 250.000,-- < € 750.000,-- (€ 500.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 750.000,-- < € 1.250.000,-- (€ 1.000.000,--);
    • Risico’s met een indicatie > € 1.250.000,-- (geschat indicatief risico);
    • Risico’s waarvoor geen indicatie is aan te geven (PM)

      Tussen haakjes is aangegeven hoe het financiële gevolg wordt meegenomen in de berekening. Het aangegeven bedrag wordt vermenigvuldigd met de risicofactor (zie punt 2).      
  5. Hoe met het risico omgegaan wordt in termen van vermijden, verminderen, overdragen of accepteren;
    • Vermijden: beleid waardoor een risico ontstaat wordt beëindigd of op een andere manier vormgegeven;
    • Verminderen: risico wordt afgedekt middels een verzekering, een voorziening of een ander budget in de programmabegroting;
    • Overdragen: het beleid dat een risico met zich meebrengt, laten uitvoeren door een andere partij, die daarbij ook de financiële risico’s overneemt;
    • Accepteren: wanneer het risico niet beïnvloedbaar is en niet op een andere wijze wordt afgedekt, dient eventuele financiële schade volledig middels de weerstandscapaciteit afgedekt te worden.

Beleid

De volgende beleidsuitgangspunten gelden:

  • Om een buffer te hebben om risico’s en tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat hierdoor dekkingsmiddelen in de exploitatiesfeer wegvallen, is het voor een gezond financieel beleid noodzakelijk een minimale omvang voor de algemene reserve (vrij besteedbaar) te bepalen;
  • Om de algemene reserve (vrij besteedbaar) te verruimen, worden op te heffen reserves en voorzieningen in beginsel toegevoegd aan de algemene reserve (vrij besteedbaar); ook de berekende rente over de voorzieningen worden middels resultaatsbestemming toegevoegd aan de algemene reserve (vrij besteedbaar);
  • Om een afzonderlijke buffer te hebben om onvoorziene risico’s met betrekking tot de bouwgrondexploitatie op te kunnen vangen, is het voor een gezond financieel beleid noodzakelijk een minimale omvang voor de algemene reserve bouwgrondexploitatie te bepalen.

Conform de vastgestelde beleidsnota Reserves en voorzieningen (2011) dient de gemeente om onvoorziene risico’s met betrekking tot de grondexploitatie op te vangen een afzonderlijke buffer te hebben. De hoogte van deze reserve wordt jaarlijks beoordeeld en eventueel aangepast bij de begroting en jaarrekening (paragraaf grondbeleid). In de grondnota welke uw raad in december 2017 heeft vastgesteld is vanaf 2017 een nieuwe methodiek besproken. Deze nieuwe methodiek sluit beter aan op de financiële risico’s waarvoor een voorziening wordt getroffen. De minimale omvang van de buffer wordt jaarlijks opnieuw berekend en is voor 2018 bepaald op de minimumbuffer van € 2.500.000,-- zoals deze in de grondnota is vastgesteld.

Conform voorgaande jaren is er een splitsing gemaakt tussen algemene risico's en risico’s uit bouwgrondexploitaties. Algemene risico's worden daarbij gedekt uit de algemene reserve vrij besteedbaar (minimale buffer: € 2,5 mln.). En risico's uit bouwgrondexploitaties door de algemene reserve bouwgrondexploitaties.

Op dit moment is de stand van zaken betreffende de buffer bouwgrondexploitaties als volgt. In paragraaf 7 grondbeleid staat een verdere toelichting / onderbouwing:

Overzicht verloop stand algemene reserve grondexploitatie X € 1.000
2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
SALDO  RESERVE  PER 1 januari 3.041 4.011 2.716 2.464 3.217 4.727 4.874 5.034 5.135
Bij: Rentetoevoeging (incl. rente resultaat) 78 148 64 63 92 96 99 101 102
Bij: Bijdrage van Alg.res.
Bij:  Storing uit br stim.Woningmarkt, makelaarskn  48
Mutatie  voorziening wegens verliezen 177 -81
Toevoeging conform resultaatbestemming (resultaten bouwgrondexploitaties t-1) 884 3.378 470 690 1.418 51 61
Af: VPB verplichting t-1 -170 -188 -186 0 0 0 0 0 0
Af: bijdrage in Algemene reserve (cfm iflo-methode) 0 -4.600 -600 0 0 0 0 0 0
SALDO  RESERVE  PER 31 december  4.010 2.716 2.464 3.217 4.727 4.874 5.034 5.135 5.237
Voorgestelde storting  in t+1, zijnde resultaat bouwgrondexploitatie 3.378 470
Saldo inclusief voorgestelde storting 7.388 3.186
Minimale omvang budfer volgens grondnota 2.700 2.500
Tekort (-) danwel overschot (+) 4.688 686
Voorstel tot afroming (afgerond) 4.600 600

Weerstandscapaciteit

De weerstandscapaciteit kan betrekking hebben op de exploitatie en/of op het vermogen. In de exploitatiesfeer is dit het exploitatiesaldo en in de vermogenssfeer (de balans) is dit de omvang van de algemene reserve vrij besteedbaar.

Exploitatiesfeer 2018
Exploitatiesaldo (minus budgetoverhevelingen) 2.905.097
Weerstandscapaciteit exploitatie 2.905.097
Vermogenssfeer Stand reserve  1-1-2018 Stand reserve 31-12-2018
Algemene reserve (vrij besteedbaar) 5.668.593 11.350.249
Weerstandscapaciteit vermogenssfeer 5.668.593 11.350.249

Het totale weerstandsvermogen per 31 december 2018 bedraagt € 14.255.346,--. Hierbij moet worden aangetekend, dat ten aanzien van lopende investeringen, die gedekt worden middels beschikking over de algemene reserve vrij besteedbaar, per 31 december 2018 nog een bedrag van € 2.009.179,-- was uit te geven (zie onderstaande tabel). Tevens wordt opgemerkt dat bij de vaststelling van de begroting 2019 diverse nieuwe investeringskredieten beschikbaar zijn gesteld, die eveneens gedekt worden uit de hiervoor genoemde algemene reserve. Dit laatste betekent dat naast de hiervoor genoemde lopende investeringen ad € 2.009.179,-- ook voor de nieuwe investeringen 2019 wordt beschikt over de algemene reserves voor een bedrag van € 2.095.000,--.

Resumerend kan het totale beschikbare weerstandsvermogen als volgt worden becijferd:

Resumerend kan het totale beschikbare weerstandsvermogen als volgt worden becijferd:
Totale weerstandscapaciteit per 31-12-2018 14.255.346
Nog te beschikken over de algemene reserve (zie tabel hieronder) -2.009.179
Nog te beschikken nieuwe investeringen 2019 -2 095.000
Rentetoevoegingen 2019 +326.929
-3.777.250
Totale gecorrigeerde weerstandscapaciteit 10.478.096

Het voorgaande betekent dat het – rekening houdende met de beschikbaar gestelde kredieten tot met 2019 – het totale beschikbare weerstandsvermogen afgerond € 10,5 miljoen bedraagt.

Per 31 december 2018 is terzake van de volgende restant-kredieten nog te beschikken over de algemene reserve vrij besteedbaar Algemene Reserve (vrij besteedbaar)
Duurzaamheidsmaatregelen basisscholen 27.308
Wettelijke Wabo/Bag team VV (MIP '10+'11+12+13+14+16+17) 26.438
Ecol. verbind. zone Kleine Run 218.629
Groen blauw stimuleringskader (MIP'10+'11+'12+'13+'14+15+16+17) 49.951
Gebiedsontwikk. Kleine Beerze (MIP'10+'11+'12+13+14+15+18+19) 16.672
Gebiedsvisie E3 en omgeving 30.000
Klimaatbeleid (SLOK 2010/2012)+MIP'11+'12+'13 37.644
Bodemsanering Oude Kerkstraat 16.034
Onderzoek mogelijkheden windenergie 16.000
Stimuleren van zonne-energie 12.500
Leerkring duurzaamheid 13.695
Verduurzamen mobiliteit 15.000
Uitvoeringsprogramma duurzaamheid 75.000
Ondersteuning ontwikkelingen E'Hoven airport 93.540
Proj. Intensivering toez.veehouderijen 181.000
Rec. en vervang. riol. Wilh.laan (MIP'10+'11) 108.202
Actualisatie en digitalisatie wegenleger (Mip '16) 13.141
Verkeersveiligheidsplan (MIP'07+08+09+10+11+'12+'13+'14+'15+'16+'17+18) 213.340
Verkeersstructuur Eersel-Bergeijk (MIP2009,2017,2018) 125.167
Berging korfbal Wintelre 7.613
Ontwikkelingsvisie Kempenmuseum 17.123
Kunstwandelroute "verb.door verbeelden" 56.000
Aanleg glasvezel (cat.3) 150.000
Uitvoering masterplan vrijetijdseconomie (mip15+16+17) 36.199
Innovatie en uitvoering toekomstvisie 99.182
Incidentele inhuur personeel (Mip 16+17+18) 39.877
Toeristische routestructuren (Mip 2016) 75.511
Uitvoeringsprogramma Kempenvisie VTE 53.825
Projectleider toeristische-recreatieve sector 15.000
Real. progr. dienstverl. E-ersel (incid. 2010) 154.500
Overbr. en substitutie/digit. bouwvergunningen 15.088
Totaal generaal 2.009.179

Risicobeheersing

In onderstaande tabel zijn de risico’s benoemd en vertaald in de mate van inschatbaarheid, beheersing risico en ‘reëel’ financieel gevolg (= kans x financieel gevolg). Indien er geen financiële gevolgen zijn in te schatten, is desbetreffend risico niet opgenomen in deze tabel. Het totaal resulteert in een totaal benodigde weerstandscapaciteit. Welke vervolgens gebruikt kan worden voor de berekening van de ratio weerstandsvermogen.

Risico Kans Mate van inschatbaarheid Geschat financieel gevolg bij voordoen Beheersing risico Reëel financieel gevolg
Het eigen beleid:
Gemeentelijke gebouwen 1 Redelijk 37.500 Accepteren 37.500
Onderwijshuisvesting 1 Slecht 1.000.000 Accepteren 1.000.000
Gemeentelijke overeenkomsten 1 Slecht 150.000 Accepteren 150.000
Het beleid van hogere overheden:
WMO * 2 Redelijk 37.500 Accepteren 75.000
Jeugdhulp* 2 Slecht 150.000 Accepteren 300.000
Verontreinigde grond 2 Slecht 150.000 Accepteren 300.000
Vergoedingen kunststof verpakkingen Afvalfonds 1 Slecht 37.500 Accepteren 37.500
Samenwerking met andere gemeenten of instanties:
Verbonden partijen 4 Slecht 150.000 Accepteren 600.000
Participatiebedrijf 4 Slecht 150.000 Accepteren 600.000
Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen:
Algemene uitkering / BCF 4 Slecht 150.000 Accepteren 600.000
Intensivering controles bedrijven 2 Redelijk 37.500 Accepteren 75.000
Totaal benodigde weerstandscapaciteit 3.775.000

* In verband met de bestemmingsreserve 3D is het risico niet jaarlijks opgenomen

Conclusie

De ratio weerstandsvermogen is berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. De ratio weerstandsvermogen bedraagt 2,78 (€ 10.478.096 gedeeld door € 3.775.000). Dit betekent dat deze meer bedraagt dan de gestelde norm uit de nota weerstandsvermogen en risicomanagement (we streven naar een ratio weerstandsvermogen tussen 1 en 2). Oftewel de beschikbare weerstandscapaciteit is meer dan tweemaal de hierboven becijferde benodigde weerstandscapaciteit.

Hierbij wordt opgemerkt dat deze hoge ratio (>2) voor een belangrijk deel ook verband houdt met het feit dat vanaf de begroting 2019-2022 een bedrag van € 3,5 miljoen wordt gereserveerd voor de periode 2023-2026.

Risico's

Alle voorzienbare risico’s waarvoor geen voorzieningen zijn gevormd of die niet tot afwaardering van activa hebben geleid en die van grote betekenis kunnen zijn in relatie tot het balanstotaal of het eigen vermogen, worden als risico aangemerkt.

Bij de risico’s wordt een onderscheid gemaakt in vijf groepen:

  • het eigen beleid;
  • het beleid van hogere overheden;
  • samenwerking met andere gemeenten of instanties;
  • voor de gemeente autonome ontwikkelingen (bijv. economische en maatschappelijke ontwikkelingen);
  • het doen en/of nalaten van anderen.

Risico’s voortvloeiend uit eigen beleid

Gemeentelijke gebouwen

Het pand Markt 29 Eersel is na de afronding van het project Muzenval-bibliotheek beschikbaar voor verhuur. Er wordt gezocht naar een huurder.

Toekomstige exploitatie zwembad de Albatros

Aan de Postakkers in Eersel is zwembad De Albatros gevestigd. De exploitatie van het zwembad is middels een erfpacht- en exploitatieovereenkomst afgesloten. De huidige erfpacht- en exploitatieovereenkomst eindigt op 1 april 2021. Conform raadsbesluit, behandeling Toekomstig Accommodatiebeleid, is middels een amendement besloten om vanaf 2021 de exploitatie van het zwembad opnieuw aan te besteden onder verscherpte condities. Wat de financiële consequenties van dit besluit voor de gemeente kunnen zijn, is op dit moeilijk in te schatten.

Onderwijshuisvesting

Op 23 januari 2018 is het geactualiseerde Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs 2018-2032 gemeente Eersel vastgesteld. In hoeverre het budget toereikend zal zijn om de komende jaren aan onze verplichtingen met betrekking tot onderwijshuisvesting te kunnen voldoen is onduidelijk. Dat heeft onder meer te maken met geluiden dat de normvergoeding niet toereikend zou zijn, met de verdere concretisering van (inhoudelijke en financiële) verantwoordelijkheden rondom renovatie en met eventuele toekomstige rentestijgingen die een negatieve invloed kunnen hebben op de ruimte voor kapitaallasten.

Gemeentelijke (privaatrechtelijke) overeenkomsten

De gemeente Eersel gaat ter uitvoering van werkzaamheden (privaatrechtelijke) overeenkomsten aan. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor een risico ontstaat op niet (volledige) nakoming van deze overeenkomsten tussen partijen.

Risico’s voortvloeiend uit het beleid van hogere overheden

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

Voor alle Wmo maatwerkvoorzieningen geldt dat sprake is van een open-eind regeling. De hoogte van de uitgaven zijn afhankelijk van het aantal voorzieningen Wmo dat uiteindelijk wordt toegekend en dus lastig te ramen. In 2018 heeft het Rijk besloten om met ingang van 2019 het abonnementstarief Wmo in te voeren. Hierbij betaalt ieder huishouden met een Wmo voorziening een vast bedrag van € 17,50 per vier weken in plaats van een bijdrage afhankelijk van inkomen en vermogen. De verwachting dat deze maatregel een aanzuigende werking heeft is in de eerste maanden van 2019 al waarheid gebleken. Er is sprake van een extra toename van het aantal aanvragen (met name voor hulp bij het huishouden) in vergelijking tot voorgaande maanden. In combinatie met een vermindering van de eigen bijdrage bestaat het risico dat in 2019 het rijksbudget ontoereikend is.

WW-verplichtingen

Vanaf 1 januari 2018 is de gemeente als werkgever verplicht om conform artikel 10c 7 van de CAR/UWO maandelijks 0,1% premie “Reparatie uitkering 3e WW-jaar” in te houden op het salaris van alle medewerkers. Dit betekent vervolgens dat de gemeente risicodrager is voor het 3e WW-jaar en de gemeente dus mogelijk vanuit het UWV wordt aangesproken op deze WW-verplichting. De eventuele financiële consequenties zijn niet in te schatten.

Afbouw Wet sociale werkvoorziening (Wsw) op aantallen en prijs

Vanaf 1 januari 2015 is de instroom van de Wsw stopgezet. De toekenning van het Wsw-deel van de integratie uitkering is gebaseerd op een geschatte daling van het aantal arbeidsplaatsen per gemeente. Of deze daling daadwerkelijk plaatsvindt, is mede afhankelijk van persoonlijke omstandigheden. Daarboven komt nog de verlaging van de fictieve vergoeding per arbeidsjaar: van ongeveer € 26.000 per arbeidsjaar, in stappen van ongeveer € 500 per jaar naar € 24.939 in 2019 en € 24.539 vanaf 2020. De exacte bedragen worden jaarlijks in de mei-circulaire bekend gemaakt en zijn afhankelijk van de feitelijke, landelijke, uitstroom. Omdat de loonkosten per Wsw-medewerker hoog zijn, is de uitstroom van de Wsw-medewerkers gunstig voor de exploitatie.

Jeugd

Het macrobudget jeugd laat nog steeds grote schommelingen zien. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door de berekening van de cliënten met voogdij. Naast de schommelende inkomsten zijn ook de uitgaven niet stabiel. De verschillen tussen de verschillende gemeenten in de Kempen laten veel veranderingen zien, evenals de verschillen per jaar. Zowel het aantal cliënten als het soort jeugdhulp dat zij ontvangen is daar debet aan. Voor jeugd geldt overigens, net als bij de Wmo taken, dat sprake is van een open-eind regeling en het risico bestaat dat in 2019 het rijksbudget ontoereikend is. Voor jeugd geldt bijkomend dat de gemeente niet de enige verwijzer is. Huisartsen kunnen bijvoorbeeld ook verwijzen naar specialistische jeugdhulp, hierop heeft de gemeente geen directe invloed.

Vennootschapsbelasting

Vanaf het jaar 2016 is de vennootschapsbelasting (Vpb) ingevoerd. De Vpb-plicht geldt voor alle commerciële en niet-commerciële activiteiten waarmee in concurrentie wordt getreden. Met de invoering van de Vpb-plicht worden de eventuele “fiscale winsten”, voornamelijk vanuit de vastgoedportefeuille, belast met Vpb. Op dit moment worden in samenspraak met Ernst & Young (EY) gesprekken afgerond met de Belastingdienst. 

Verontreinigde grond

Bij werkzaamheden in grond (bijvoorbeeld voor het leggen van kabels of aanleggen van een weg) zijn de werknemers vanaf 2015 verplicht om zich te houden aan de nieuwe arbeidsomstandigheden regels die zijn opgenomen in de CROW (onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer). Als men dan moet werken in verontreinigde grond bestaan er risico’s voor blootstelling van werknemers aan de stoffen die in de grond zitten (naast andere risico’s). Volgens de Arbowetgeving moeten de risico’s beoordeeld worden en moeten passende maatregelen getroffen worden om deze te beheersen. Maatregelen om de risico’s te beheersen zijn door het platform CROW ingevuld: voor het werken in verontreinigde grond in de publicatie CROW 132 en voor kabels en leidingen in de CROW 307 (uitsluitend als aanvulling op de CROW 132). De CROW 132 en 307 zijn geen wetgeving; de Inspectie SZW beschouwd ze wel als de stand van de techniek. De inspectie controleert of de situatie voldoende beoordeeld is (voldoende bodemonderzoeken gedaan?), of de werknemers voldoende beschermd zijn tegen blootstelling en of er voldoende voorlichting en onderricht gegeven is en toezicht gehouden wordt.

Aan de hiervoor genoemde werkzaamheden zijn extra kosten verbonden. Deze kosten werden in het verleden niet gemaakt. De kosten komen voor rekening van de gemeente, wij zijn immers eigenaar van de grond. Hoe hoog de kosten zijn op jaarbasis is moeilijk te voorspellen. Dit is namelijk afhankelijk van het aantal en lengte aan te leggen weg of kabels/leidingen. 

Risico’s voortvloeiend uit samenwerking met andere gemeenten en instanties

Risico’s met betrekking tot informatiebeveiliging en privacy

Gemeenten gebruiken voor de uitvoering van hun taken over het brede spectrum van beleidsterreinen diverse mogelijkheden van informatie-uitwisseling, zowel onderling als met diverse keten-partners. Het is daarbij van belang dat gegevens beschikbaar en betrouwbaar zijn. Daarnaast mag informatie alleen voor bevoegden inzichtelijk zijn. De beveiliging van informatie moet daarom professioneel georganiseerd worden. Door het beveiligen van de informatievoorziening verlagen we het risico op beveiligingsincidenten en beperken we de mogelijk negatieve impact van dergelijke incidenten op privacy en de gemeentelijke informatie. Ondanks de aandacht voor informatiebeveiliging en het inzetten van beheersmaatregelen blijven er altijd risico’s bestaan. Het is onmogelijk om alle beveiligingsincidenten te voorkomen.

Mogelijke beveiligingsincidenten en daarmee verbonden risico’s zijn te verdelen in:

  • Het niet beschikbaar hebben van de benodigde informatie(systemen) (aspect beschikbaarheid). Het uitvallen van een kernapplicatie voor bijvoorbeeld het verstrekken van paspoorten of het uitbetalen van uitkeringen of subsidies, verstoort direct de bedrijfsprocessen, maar kan ook veel inwoners of organisaties direct in de problemen brengen.
  • Ongeautoriseerde toegang tot vertrouwelijke of geheime informatie (aspect vertrouwelijkheid). Wanneer onbevoegden toegang hebben tot gevoelige informatie kan dat verstrekkende gevolgen hebben. Zo kan de privacy van personen worden aangetast, maar er zou ook gevoelige informatie rondom grondposities kunnen uitlekken. Het kan in bepaalde gevallen zelfs leiden tot fysieke risico’s wanneer bijvoorbeeld via internet pompen, sluizen of gemalen gehackt worden.
  • Onjuiste of onvolledige informatie (aspect integriteit). Wanneer in administraties of basisregistraties onjuiste gegevens taan, kan dat leiden tot diverse problemen en fouten, bijvoorbeeld foutieve uitbetalingen.

Daarnaast is op 25 mei 2018 de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van kracht geworden. De AVG vervangt de Wet bescherming persoonsgegevens. De komst van de AVG heeft geleid tot een versterking en uitbreiding van de privacy-rechten van inwoners. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid de privacy van haar inwoners te borgen. Beveiligings- en privacy-incidenten brengen voor gemeenten het risico op imagoschade en financiële schade met zich mee. De politieke consequenties kunnen enorm zijn. De hoogte van de eventuele financiële consequenties voor de gemeente is moeilijk in te schatten.

Vergoedingen kunststof verpakkingen Afvalfonds

Op basis van de Raamovereenkomst Verpakkingen tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, de VNG en het verpakkende bedrijfsleven, ontvangen gemeenten een vergoeding voor de inzameling van kunststof verpakkingen, afkomstig uit huishoudens, vanuit het Afvalfonds. Daarnaast ontvangen gemeenten ook een vergoeding van het Afvalfonds voor het vermarkten van het kunststof dat als recyclebaar uit de sorteerinstallatie komt. Die vergoedingen worden uitgekeerd als voorschot. Ondanks aandringen van gemeenten, is tot op heden nog steeds geen eindafrekening ontvangen over de jaren 2015 t/m 2018 i.v.m. onduidelijkheid over de hoogte van de uiteindelijke  vermarktingsvergoeding. Inmiddels is een eerste concept vergoeding vastgesteld voor de jaren 2015 en 2016, deze vergoeding valt lager uit dan de uitbetaalde voorschotten. De verwachting is dat de gemeente Eersel voor 2015 ca. € 12.000,-- terug moet betalen en voor 2016 ca. € 15.000,--.

Verwerkingsovereenkomst restafval Attero

Voor de periode 1-2-1997 t/m 1-2-2017 hebben de 6 Brabantse gewesten (vertegenwoordigd door de Vereniging van Contractanten (VvC)), namens de Brabantse gemeenten, een overeenkomst gesloten met Afvalsturing Brabant (nu: Attero) voor de verwerking van huishoudelijk restafval. Daarbij is o.a. afgesproken dat de Brabantse gemeenten jaarlijks tenminste 510 kiloton (de volumeplicht) restafval ter verwerking (verbranding) aan moeten leveren (volumeplicht). Omdat het afvalbeleid steeds meer gericht is op het terugdringen van de hoeveelheid restafval, werd in 2011 voor het eerst niet meer aan die volumeplicht voldaan. Dat is voor Attero reden geweest om aan de Brabantse gewesten een naheffing op te leggen wegens het niet nakomen van de volumeverplichting over de periode 2011 t/m 2014. In een arbitraal eindvonnis heeft het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) Attero, m.b.t. die naheffing, in het ongelijk gesteld. Vervolgens heeft het Gerechtshof Den Bosch het verzoek van Attero tot vernietiging van het NAI-vonnis, afgewezen. Daarmee is die kwestie afgedaan. Ondertussen heeft Attero een nieuwe naheffing opgelegd voor het niet nakomen van de volumeplicht in 2015. Tot veler verrassing heeft het NAI, in een tussenvonnis, nu Attero in het gelijk gesteld. Als Attero ook in het eindvonnis in het gelijk wordt gesteld, dan zal de VvC een procedure aanspannen tot vernietiging van dat vonnis. Inmiddels heeft Attero ook een naheffing opgelegd over de periode 2016 t/m januari 2017 (einde contract). Het NAI heeft in een tussenvonnis toegestaan dat beide naheffingen als één zaak worden behandeld, tijdens een hoorzitting begin 2019, gevolgd door een eindvonnis. Vooruitlopende daarop onderzoekt de VvC reeds nu de mogelijkheden om te ageren tegen een, eventueel voor de gewesten en gemeenten, ongunstig eindvonnis. Mochten de gewesten uiteindelijk aan het kortste eind trekken, dan zullen waarschijnlijk ook de gemeenten binnen de gewesten een (deel van die) naheffing moeten betalen. Het risico is sterk afhankelijk van de uitkomst van de juridische procedures en verschilt zeer van gemeente tot gemeente. We ramen het risico daarom vooralsnog op als pm. 

Regionaal Historisch Centrum Eindhoven

De gemeente is krachtens de gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Eindhoven aangesloten bij de gemeenschappelijke archiefdienst, te weten het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe). In 2018 is een onderzoek uitgevoerd naar de inrichting van de bedrijfsvoering van het RHCe, naar aanleiding van de financiële en personele tekorten en de weerslag die dit heeft op de uitvoering van haar wettelijke taken en de dienstverlening aan de deelnemende gemeenten. In 2019 wordt door de bestuurscommissie vastgesteld op welke manier het RHCe verder gaat. Inmiddels is er een voorstel voor de doorontwikkeling opgesteld. Met dit voorstel ontstaat meer duidelijkheid over de voortgang van het RHCe en het financiële aspect daarvan. Vooralsnog lijken geen extra kosten gemaakt te hoeven worden. Een van de taken van het RHCe is realiseren van een Duurzame Digitale Opslagvoorziening (DDO). De ontwikkeling van het DDO wordt vooralsnog gerealiseerd binnen de huidige begroting en meerjarenbegroting. Als risico moet hierbij benoemd worden dat voortschrijdend inzicht, wanneer de daadwerkelijke inrichting gerealiseerd wordt, kan leiden tot hogere incidentele en structurele kosten.

Verbonden partijen

We kunnen worden geconfronteerd met financiële tegenvallers van verbonden partijen waarin we ons verplichten bij te dragen in eventuele nadelige saldi. Hierop hebben we niet altijd directe invloed. Indien in de loop van een jaar een nadelig saldo ontstaat, leggen we hiervoor separate voorstellen voor aan de raad. Een onderdeel van de verbonden partijen zijn de gemeenschappelijke regelingen. Ons uitgangspunt is dat de gemeenschappelijke regelingen in eerste instantie zelf moeten zorgdragen voor dekking. Ten aanzien van de begroting gaan we zoveel mogelijk uit van de loon- en prijsstijgingen zoals de deelnemende gemeenten deze zelf ook hanteren.

Participatiebedrijf

Vanaf 1-7-2019 gaat het nieuwe participatiebedrijf van start. De financiële kaders van participatiebedrijf zijn geen ‘hard’ gegeven, maar zijn gebaseerd op aannames die straks in de uitvoeringspraktijk van het participatiebedrijf worden getoetst. Het volume aan klanten en medewerkers en de daarmee samenhangende opbrengsten, zijn derhalve vooralsnog niet taakstellend. Gemeenten en participatiebedrijf moeten daarom samen nauwlettend de ontwikkelingen volgen en sturen. Er is in feite sprake van een ontwikkelopgave die samen (gemeenten en participatiebedrijf) moet worden bewaakt. Wat uiteindelijk de financiële consequentie van de invoering van een Participatiebedrijf worden, is op dit moment nog niet te zeggen. Om de financiële risico’s te beteugelen heeft het college van de gemeente Eersel een bestuursopdracht verstrekt aan het bestuur van de WVK-groep om de resultaten van het meerjarenperspectief van het nieuwe participatiebedrijf realistisch, maar kritisch te analyseren. 

Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen

Ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds

Accres

De laatste jaren was er diverse malen onzekerheid over de hoogte van het accres doordat een aanvankelijk hoog accres op latere momenten neerwaarts werd bijgesteld. Met andere woorden de hogere rijksuitgaven (“samen trap op”) waren later toch minder hoog, zijnde de zogenaamde “onderuitputting”. Dit speelt wellicht ook bij de onderuitputting 2018 welke zal blijken uit de meicirculaire 2019, aangezien deze circulaire een bijstellingsmoment is. Dit laatste wordt hieronder nader toegelicht. In de decembercirculaire is reeds “als waarschuwing” aangegeven dat het rijk minder uitgaven doet als werd verwacht. In de “decemberraming economische vooruitzicht 2019” van het centraal planbureau (CPB) wordt op basis van cijfers door het ministerie van financiën gemeld dat de onderuitputting 2018 wordt geschat op 1,4%, hetgeen bijna drie keer zoveel is als voorgaande jaren. Gelet op deze signalen zou het ook raadzaam zijn om met deze onderuitputting in de berekening van de algemene uitkering 2018 rekening te houden. Echter de commissie BBV heeft onlangs haar standpunt over deze kwestie wederom aangepast, waarbij haar laatste (en bindende) stellige uitspraak is dat alle gemeenten in de jaarrekening van jaar t de algemene uitkering dient op te nemen overeenkomstig de septembercirculaire van jaar t.  Het definitieve accres van jaar t wordt gemeld in de meicirculaire van jaar t+1 en de verwachte neerwaartse bijstelling zal derhalve in de jaarrekening 2019 worden verwerkt.

BCF-plafond

Met betrekking tot het zogenaamde BCF-plafond wordt opgemerkt dat vanaf 2018 het verwachte niet gedeclareerde BCF-deel niet meer financieel wordt vertaald in de raming van de algemene uitkering. Dit betekent dat de gemeenten de middelen onder het BCF-plafond wel steeds (jaarlijks) ontvangen, maar dat door deze verwerking deze ruimte niet meer als structureel dekkingsmiddel wordt ingezet. Inmiddels heeft met ministerie van Binnenlandse zaken en onze provinciale toezichthouder hierover nadere uitleg gegeven. Hierin geven zij aan dat zij een onzekere c.q. afnemende ruimte onder het BCF-plafond zien, zodat ook de afrekening van BTW uit het BTW compensatiefonds in de meicirculaire 2019 nog een positief of negatief effect kan opleveren.

Renteontwikkeling

Indien de rente op de geld- en kapitaalmarkt zich ongunstig ontwikkelt ten opzichte van de percentages die in de begroting zijn opgenomen, moeten we rekening houden met extra rentelasten (zie ook de treasuryparagraaf). De ontwikkeling van de rente is moeilijk in te schatten.

Omgevingswet

Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. De inhoud van de wet is niet concreet, het is namelijk een kaderwet die uitgewerkt wordt in algemene maatregelen van bestuur en uitwerkingsregelingen. De komende jaren worden de algemene maatregelen van bestuur en de uitwerkingsregelingen uitgewerkt, zie bijgevoegde figuur. Hierdoor moet met onzekerheden rekening gehouden worden. Voor een deel is in de financiering voorzien via het krediet “Herziening ruimtelijke plannen”, het gaat hier met name om een aantal procedurele elementen en het opstellen van Omgevingswet-instrumenten. De invoering van de Omgevingswet heeft naast een verandering van de instrumenten ook gevolgen voor de cultuur en de informatievoorziening.

De verandering op het gebied van cultuur zijn:

  • van nee tenzij, naar ja mits
  • van toets vooraf, naar handhaven achteraf
  • van zorgplicht bij overheid naar zorgplicht bij iedereen
  • van inspraak en bezwaar naar brede participatie.

Voor een cultuuromslag zal ook de nodige weerstand overwonnen moeten worden. Maar de organisatie van de gemeente Eersel is al langer bezig met een omschakeling van nee tenzij, naar ja mits en naar integraal werken. De cultuuromslag die gevraagd wordt voor de Omgevingswet past in de algehele verandering van de rol van de overheid van regelaar naar partner. Een belangrijk deel van de Omgevingswet is de informatievoorziening. Via zogenaamde informatiehuizen moet iedereen over dezelfde informatie beschikken en kunnen hergebruiken. Maar het gaat ook om de interne werkprocessen en het samenwerken met de ketenpartners, zoals de ODZOB. Op dit moment is nog niet bekend hoe deze voorzieningen eruit gaat zien en of de gemeente overal zelf in moet voorzien of dat aangesloten kan worden op landelijke voorzieningen. Hierdoor kunnen hier nog geen bedragen aan gehangen worden. Met het verminderen van legesinkomsten als gevolg van de Omgevingswet is vanaf het jaar 2021 in de begroting 2019-2022 rekening gehouden.

Intensivering controles bedrijven

Uit onderzoeken van de omgevingsdienst en provincie blijkt dat veel gemeenten in Brabant te weinig prioriteit geven aan de controles van bedrijven. Vanuit wetgeving is het een vereiste het beleid binnen het gebied van de omgevingsdienst op elkaar af te stemmen. Daartoe is een voorstel in voorbereiding, het Regionaal Operationeel Kader Milieutoezicht. Het ‘ROK Milieutoezicht’ is het gezamenlijk kader voor alle 21 gemeenten binnen het gebied van de omgevingsdienst op basis waarvan in alle gemeenten gelijksoortige bedrijven op dezelfde manier gecontroleerd gaan worden. Het biedt gemeenten in onze regio een risicogerichte aanpak voor het opstellen, uitvoeren en steeds verder ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardig en professioneel regionaal uitvoeringsprogramma. De exacte financiële consequenties van de toename van de controles zijn nog niet duidelijk. De verwachting is dat de toename voor Eersel vanaf het jaar 2021 zal plaatsvinden. Voor de jaren 2019 en 2020 is budget voorzien voor de intensivering van controles voor uitsluitend veehouderijen.

Kengetallen

Conform Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) nemen we de volgende kengetallen op:

  • netto schuldquote;
  • netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen;
  • solvabiliteitsratio;
  • structurele exploitatieruimte
  • grondexploitatie
  • belastingcapaciteit
Kengetallen behorende bij de rekening 2018 Rekening 2017 Begroting 2018 Rekening 2018
Netto schuldquote -12,00% 5% -22,90%
Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen -13,10% 4% -24,00%
Solvabiliteitsratio 51,40% 48% 54,70%
Structurele exploitatieruimte 5,54% 2,04% 3,28%
Grondexploitatie 3,80% 11% 5,00%
Belastingcapaciteit 97% 97% 97%

Toelichting op deze kengetallen:

Schuldquote

Dit kengetal geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. De schuldquote is voor de gemeente Eersel laag en daalt zelfs nog zodat de gemeente Eersel met dit kengetal ruim voldoende “scoort”. Dit lage kengetal houdt verband met het feit dat er de laatste jaren sprake is van een toename van het financieringsoverschot door grondverkopen. Als algemene norm geven we de volgende richtgetallen.

Algemene normwaarden schuldquote Schuldquote
Normaal  0% - 100%
Voorzichtigheid geboden > 100 %
Zeer hoge schuld > 130 %

Solvabiliteitsratio

Deze ratio geeft het aandeel van het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen. Wanneer de helft of meer uit eigen vermogen bestaat is een gemeente voldoende solvabel. 

Algemene normwaarden bruto schuld Ratio solvabiliteit
Weinig tot geen schuld  > 80 %
Normaal 30% - 80%
Voorzichtigheid geboden 20% - 30%
Bezit zeer zwaar belast met schuld 0% - 20%

Structurele exploitatieruimte

Dit kengetal is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen. Zoals blijkt uit de tabel is de structurele exploitatieruimte zeer gering.

Grondexploitatie

Dit kengetal geeft aan hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Het is lastig om hier een norm voor te formuleren aangezien deze norm niets zegt over de relatie tussen vraag en aanbod van woningbouw c.q. bedrijventerreinen.

Belastingcapaciteit

Dit kengetal geeft inzicht hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Hieruit blijkt dat de gemeente Eersel in 2018 onder op het landelijk gemiddelde zit.